BBK/Door Vriendschap Sterker
Hét communicatie- en mediabureau voor maatschappelijke merken en trends

 


Ons adres:

Posthoornkerk
Haarlemmerstraat 124 A
1013 EX Amsterdam
Postbus 14551
1001 LB Amsterdam
Telefoon: 020 305 94 44
Fax: 020 305 94 22

Mail BBK

 
Met vier grote bioscoophuizen heeft Pathé een steeds grotere greep op de Amsterdamse filmmarkt. Helaas leidt het grotere zalenaanbod niet tot een rijk en divers filmaanbod. De grote films worden massaal vertoond, het is zoeken in het donker naar het bekende pareltje. Maar gelukkig vond ik er vanmiddag weer een.

'Moonrise Kingdom' is de nieuwste film van de Amerikaanse regisseur Wes Anderson en het is een ware parel van smaak, styling, humor en originaliteit. Anderson is relatief jong, maar zeker geen nieuwkomer, maar 'Moonrise Kingdom' is de eerste film die ik van hem zie, en ik heb er van begin tot eind van genoten.

'Moonrise Kingdom' is een film over kinderen, maar geen kinderfilm. De kinderen op het fictieve vakantieiland New Penzance gedragen zich volwassener dan hun ouders, hun pleeghouders, de politie. de hopman of de pinnige vrouw van de jeugdzorg. De ouders lijken eerder kinderen en hun bekrompenheid, slome gedrag en levensmoeheid is niet bepaald een voorbeeld of aansporing van kinderen.

Sam en Suzy hebben elkaar gevonden in hun lege werelden en gaan er samen vandoor op het eiland. Het is knap hoe Anderson hen in hun gedrag, houding en teksten portretteert als kleine volwassenen, en hoewel het ook erg grappig is, is het toch vooral aandoenlijk en overtuigend hoe de twee 12-jarigen met hun platenspeler op het strand kussen en dansen op muziek van Francoise Hardy. 

NU had het over een 'enorme kijkdoos vol eigenzinnige types en schattige details in de decors.' Gaat dat dus zien, zou ik zeggen. Zeker als je er ook nog Bruce Willis, Bill Murray, Harvey Keitel, Tilda Swinton, Edward Norton en Frances McDormand 'gratis' bijkrijgt.

Maar de echte sterren zijn Jared Gilman en Kara Hayward als Sam en Suzy die een prachtiger leven tegemoet lijken te gaan dan alle volwassenen om hen heen. Dat stemt - voor hen in ieder geval - bijzonder hoopvol.
 
 
Het was een meesterwerk. De bijbel voor grootheden als Bob Dylan. Maar ook onverfilmbaar geacht. En daarom duurde het misschien ook wel zo lang voordat 'On the Road' van Jack Kerouac tot film werd omgesmeed. Het resultaat mag er zijn. tenminste, als je van een prachtig prentenboek houdt.

Ik geef het toe, ik heb 'On the Road' nooit gelezen. Het was en is mijn bijbel niet. Het roadbook van Kerouac lijkt me nu typisch een tijdsbeeldboek, de lint voor een naoorlogse generatie die los wil van de conventies en de uitgestrekte Amerikaanse wegen tot jachtterrein verklaart en mooie kreten bedenkt dat niet de bestemming maar de weg het doel is. Ach ja.

Maar het mooie prentenboek dat de Braziliaanse regisseur regisseur Walter Salles ons voorschotelt, mist inhoud en bezieling, het mist de brandstof waarop Kerouac uiteindelijk ziijn wereldberoemde boek schreef. Want was is er nu eigenlijk zo cool aan wat losgeslagen jongeren die blowen, paffen, zuipen en neuken anders dan dat hun ouders of buren dat waarschijnlijk niet de hele tijd deden?

Bij 'On the Road' had ik toch iets meer drive en inhoudelijke drijfveren vermoed en verwacht, maar goed, ik las het boek ook niet. De film 'On the Road' lijkt wel één lange neo-hippe TV-commercial voor een erg alternatief drankje voor ongeschoren jongens die maar niet groot willen worden en wufte meiden die er als blokken voor vallen. Grolsch on acid, of zoiets.

Amerika is het land van 'On the Road', iedereen altijd onderweg, op de vlucht voor een verleden, op zoeken jacht  naar een beter bestaan. Het kan fraaie verhalen opleveren, en zelfs prachtige films, zoals ooit 'Badlands' van Terence Malick.

Maar deze clip van Salles is me te lang, te gelikt, en - om in de wegenmetaforen te blijven - het komt nergens vandaan en het gaat nergens heen. En dan is 2,5 uur stoelzitten opeens geen avondje uit maar een avondje hard werken, en dat kan toch niet de bedoeling zijn 'on the road.'
 
 
Eén van de grootste mannen uit de popmuziek van de laatste halve eeuw, is ook van de kleinsten. Paul Simon. Ooit de helft van het legendarische duo Simon and Garfunkel. En naast de boomlange Garfunkel leek de kleine Simon alleen nog maar kleiner.

Als een variant op onze Piet Hein: zijn postuur is klein, maar zijn daden benne groot. En groot zijn die daden van Paul Simon zeker. Zoals zijn prachtige album 'Graceland', een ware popklassieker waarvan het eigenlijk onvoorstelbaar is dat er een al een kwart eeuw voorbij is sinds het album op de markt kwam en een grote hit werd.

De Volkskrant heeft dit week een uitgebreid artikel over de geschiedenis van 'Graceland' en de rel die rond Simon ontstond omdat hij naar het foute Zuid-Afrika ging om met muzikanten daar een aantal tracks op te nemen. Ladysmith Black Membazoo werd er groot door in het Westen, maar Simon kreeg het verwijt de culturele boycot te negeren.

De discussie gaat door, ook door de re-release van 'Graceland' en de documentaire 'Under African Skies.' En ook het leven van Simon gaat door. De oude bard komt 18 juli naar Amsterdam naar de Ziggo-Dome. Daar zal veel ruimte zijn voor tracks van 'Graceland'. Er staan ook nogal wat pareltjes op, vanaf de openingsmaten met  de pompende accordeonklanken van 'The Boy in the Bubble.'

En dan is er natuurlijk het titelnummer over het spookslot van Elvis in Memphis, Tennessee, met de prachtige openingszinnen "..The Mississippi Delta was shining like a National Guitar, I'm following the river down the Highway to the Cradle of the Civil War, I'm going to Graceland..." Tsja, als je dat kan schrijven, dan ben je een grote.

'Een fabelachtig mooie liedjesplaat' concludeert de Volkskrant. En of Simon 'fout' was of niet, hij opende in ieder geval een Zuid-Afrikaanse schatkamer en liet ons horen en zien wat een muzikale rijkdom daar was en wachtte. Afriak was niet alleen maar lijden en ellende, maar ook prachtige muziek.

 
 
Ik kan er nu wel wat lullig en lacherig over doen, en het allemaal ontkennen, maar The Bee Gees was een fantastische hitmachine, en dan heb ik het nog niet eens over de periode van en na 'Saturday Night Fever.' De Britse Aussies hadden daarvoor al een gigantische stapel hits gescoord.

En ik kan het nu best toegeven: veel van die oude(re) hits van The Bee Gees vond ik geweldig en gloedvol, en de cd met hun hits was de afgelopen jaren eigenlijk opvallend vaak 'on' in de auto. Music to make miles by, en een mooie rit door een mooi muziekverleden.

Het was een mooi verhaal van drie broers Gibb die van het eiland Man naar Australië gingen, terugkeerden naar Engeland en daar grote sterren werden. Met hits als 'Spicks and Specks', 'Words', 'Holiday', 'Massachusetts', 'First of May', en nog veel en veel meer.

Hun tweede leven begon een jaar of tien na hun eerste successen en grote doorbraak, en met hun switch naar disco. 'Saturday Night Fever' bracht wereldroem voor John Travolta én - opnieuw - voor The Bee Gees, en het castratengeluid van Robin Gibb ging mij als voormalig fan door merg en been. Strakke kruisen, soepele heupen, dat werk.

Van drie broers ging het terug naar twee - 'mooie' Maurice overleed in 2003 - en dit jaar was de genadestoot voor de Gibbs. Eerst overleed Maurice, en nu Barry, hij met de enorme hoge stem en grote tanden, hij die in zijn ruzietijd met zijn broers als solo-artiest met 'Saved by the Bell' ook nog even liet zien hoe je een kraker van een hit maakt.

Donna Summer - Queen of disco - ging vlak voor Robin Gibb heen naar de eeuwige discotheken. Robin Gibb is haar nu achterna. 'Stayin' Alive' was geen optie meer. Verder geen foute grappen over deze jeugdvrienden die heel veel moois achterlaten en zo dus wel degelijk voortleven. 'Don't forget to remember' heette de toepasselijke hit uit 1969.
 
 
Loftrompetten te over om te steken over hoe heerlijk het is om in compact Amsterdam te wonen met de grote snoepwinkel van bioscopen, theaters, concertzalen, musea en ander heerlijks vlak om de hoek. Vanochtend om 11 uur was ik in Pathé City één van de vijf die benieuwd waren naar Sean Penn in 'This Must Be The Place'.

Penn is fascinerend bizar als een rock ster in ruste, visueel een kruising van Robert Smith van The Cure en van een Bono die decennia niet van de drank en de pillen af heeft kunnen blijven. Op een kwade of goede dag moet hij naar New York naar zijn stervende vader. Door zijn vliegangst ('en een lichte doodsangst') neemt hij de boot in plaats van het vliegtuig, en komt (dus) te laat.

In het New Yorkse Joodse milieu van zijn vader komt hij eigenlijk thuis en gaat in de V.S. op zoek naar de kampbeul die zijn vader in Auschwitz heeft vernederdt. Zo wordt een wat zwarte komedie een klassieke road movie over schuld en boete en liefde en met een verrassend eind dat je zelf maar moet gaan zien.

Moet gaan zien inderdaad, want 'This Must Be The Place' van Paolo Sorrentino ('Il Divo') is een visuele tractatie, door Penn, de prima cast, de ingetogen humor, en vooral ook door het sublieme camerawerk. Ik las dat de film bijna $ 30 miljoen heeft gekost, en pas ruim een derde heeft opgeleverd. De bruto-recette van € 32,50 vanochtend zet dan niet veel zoden aan de dijk. Deze blog misschien nog wel een beetje.

Ook visueel imponerend is de tentoonstelling een steenworp verderop in het Van Gogh Musuem, 'Dreams of Nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky'. En hoewel symbolisme ook van een niet-te-harden-zwaarheid of zweefmutserij kan zijn, zijn hier werken als het imponerende 'Het Dodeneiland' van Arnold Böcklin, 'Nocturne, Grey and Silver' van Whistler, en 'Meer van Keitele' (ook de poster van de tentoonstelling) van Akseli Gallen-Kallela een bezoek al meer dan waard.

Allemaal om de hoek, het kost 'geen drol' zou Jules Deelder zeggen, en wat jammer is het dan dat na jaren van potdichtheid het Stedelijk Museum (ooit SM in de communicatie gedoopt, hoe toepasselijk nu..) nu weer bemodderd raakt door schreeuwkoppen over geld en internationale status of het gebrek daaraan of verlies ervan. Wat een ranzige triestheid inmiddels, 'This Should Have Been The Place.' Doe maar gauw die deuren open...

 

That Day

05/10/2012

0 Comments

 
Als vanavond de wind de andere kant op zou hebben gestaan, dan zou ik het concert van The Golden Earring in Paradiso ongetwijfeld thuis op het dak hebben kunnen volgen. Want hoewel bijna bejaard, gaat bij de 'Earring' het dak er nog immer af. 

Gitarist George Kooymans verwoordde het mooi in Het Parool vandaag: "Al 51 jaar bij elkaar, het is ziekelijk lang eigenlijk." De formele oprichtingsdatum van de Haagse band is gefixeerd op 2 september 1961, hoewel de band toen de Tornado's heette en The Golden Earring pas kwam na The Golden Earrings en hun eerste hits.

We gaan nu geen wedstrijdje doen, maar The Golden Earring is bijna net zo oud als ik, en we gaan dus al een halve eeuw op afstand netjes met elkaar om. Ik kocht of kreeg hun singletjes, en op dat 45-toeren-format kon ik de Haagse rockers altijd beter hebben dan als LP-artiesten. Misschien was ik meer van het poppy dan van hun rock. 'Radar Love' vind ik nog steeds maar middelmatig, hoe ik hen het succes ook gun.

Maar misschien ben ik wel blijven hangen in mijn eigen jeugd, in hits als 'That Day', waarvan ik nu heb begrepen dat het - waanzinnig voor die tijd - in Londen werd opgenomen en alleen 'Michelle' van The Beatles voor zich moest dulden voor de nummer 1-positie in de Top 40.

Tsjezuss, wat worden we oud, maar The Golden Earring geeft niet toe of op. Sterker nog: dankzij frontman Barry Hay is er nu 'Tits & Ass' als titel van het zoveelste Earring-album, een echte rock 'n rolltitel, plat, sexistisch, maar dus helemaal goed, en als je dan toch blijft gaan, doe het dan goed en voluit, zoiets.

In tijdperk en lengte van bestaan is The Golden Earring The Rolling Stones van de lage landen. En dat maakt de band toch wel tot een buitencategoriefenomeen waar ik - 'Back Home' - een belangrijk deel van mijn jeugd veel mee en aan had. En dat hele verhaal begon allemaal bij de buurjongetjes Gerritsen en Kooymans in de buurt van het Zuiderpark, Haagse Beatjongens met eeuwigheidswaarde.

 
 
De openingszinnen van hun enorme hit 'Do the Strand' uit 1972 lijken wel - met de kennis van nu - een autobiografische schets van Roxy Music. Hoe anders kun je nu 'There's a new sensation, a fabulous creation, a danceable solution, to teenage revolution' duiden? 

Roxy Music was een sensatie begin jaren '70. De muziek, de stijl, de styling, de wonderbaarlijke Eno, en de als gastheer én ober geklede frontman en oprichter Brian Ferry waren uniek en sloegen bij critici en publiek in als de bekende bom., zo bewijst vanavond ook de documentaire 'More Than This' op Canvas.

Hun eerste albums ('Roxy Music', 'For Your Pleasure' en 'Stranded') staan nog steeds als mijlpalen in de moderne muziekgeschiedenis, muzikaal en visueel smashing, en de muzikale vorm en stijl van Ferry en zijn band hebben zo'n vier decennia later de tand des tijds glans- en glimmerrijk doorstaan.

Net als Bowie met zijn Ziggy Stardust, was Brian Ferry's Roxy Music begin jaren '70 een meer dan geslaagde poging om de muziek veel groter dan zichzelf te maken door styling, presentatie en het inslaan van paden die tot dan nauwelijks betreden waren. 

Misschien was Roxy Music wel new wave voordat new wave er was, en in hun extravagantie waren ze vast en zeker voorlopers van de punk die een aantal jaren na het daverende startsalvo van Roxy Music Engeland op zijn kop zette. 

Roxy Music was geen eendagsvlieg, vooral door het vermogen om nieuwe muzikale wegen in te slaan. Het arty-imago werd ingeruild voor een meer sophiticted, gladder en dansbaarder stijl die ook enorm succesvol bleek. Wat bij andere groepen als verraad zou zijn aangemerkt, werd bij Ferry en Roxy Music als tamelijk natuurlijk geaccepteerd. Het bracht de band als vanzelf en verdiend in volgende tempi. 

 
 
 
Naarmate je ouder wordt, lijken lijntjes steeds meer bij elkaar te komen. Ervaring, inzicht, overzicht, doorzicht en wat al niet lijken iets van structuur en systematiek te bieden aan dat wat je ook allemaal stom toeval mag noemen.

Zo komt opeens Leonard Cohen in mijn leven gewandeld. De Canadees-New Yorkse bard op hoge leeftijd komt in augustus twee concerten geven in het Olympisch Stadion van Amsterdam waar ik nu tijdelijk werk. Dat stadion van Jan Wils dat in een jaar met vooral publiek geld uit de grond werd gestampt voor de Spelen van 1928, daarna bijna gesloopt, en nu fier een mooi nieuw leven leidt. 

Leonard Cohen is voor mij altijd verbonden geweest aan mijn vader. Niet omdat zij bijna leeftijdgenoten waren. Mijn vader was zes toen Cohen in 1934 in Montréal werd geboren. En toen ik nog jong was en thuis woonde, had mijn vader in zijn indrukwekkende LP-collectie ook een labum van Cohen, 'Songs of Love and Hate.'

Ik had niet zoveel met die bromstem en die wat minimalistische backing, maar ik kwam er achter dat Cohen - bij de meisjes zeker - wel degelijk goed lag, en zo kwam ik het op snode idee de LP van mijn vader stilletje achterover te drukken en met een schoolvriendje te ruilen voor een stapeltje vieze boekjes waarin vrouwen van alles lieten zien en deden. Vuurrode oortjes. Je zou er bijna een liedje van kunnen maken. 'Various Positions', of zo.

Natuurlijk miste op een goede of kwade dag mijn vader de LP van Cohen. Ik wist natuurlijk van niets. Ik jokte. Ik loog. Ik gaf niet toe, nooit gezien en geen idee. Mijn vader wist dat ik loog, hij zag het gewoon, maar hij had geen wettelijk en overtuigend bewijs, dus ik was 'off the hook'.
 
Er is nooit aangifte gedaan, en zo toch wel: het is verjaard, maar ik ben het niet vergeten, deze cultuurroof uit mijn ouderlijk huis zo begin jaren '70. Heb ik spijt? Ach, wat maakt het uit. Ik heb net als zo heel veel andere kinderen in die jonge jaren het een en ander achterover gedrukt, maar ben er ook weer keurig mee gestopt. Eens een dief, nooit meer een dief.

Maar ik had het nu natuurlijk wel ultiem goed kunnen maken met mijn vader. Door hem mee te nemen naar het Olympisch Stadion, naar Leonard Cohen, na 'the minor fall' toch alsnog 'the major lift.' Love and hate. Zwart en wit. Maar mijn vader is niet meer. Hij zou nu 86 jaar oud zijn, twee jaar ouder dan het Olympisch Stadion. Niet alle lijntjes komen samen, hoe graag je het misschien ook zou willen.

 
 
Shocking Blue was zo Haags als Haags maar kon zijn. En Shocking Blue was eind jaren '60 en begin jaren '70 een enorme hitmachine. Vreemd dat zo'n beroemde singlegroep dan een plek vindt in de Tv-serie Classic Albums. Slechte casting. Raar beleid. Maar goed, hoewel de uitzending vanavond over hun LP 'At Home' gaat, gaat het natuurlijk ook over hun hit 'Venus'.

'Venus' was de hit der hits van Shocking Blue. Het haalde zelfs de nummer 1 positie in de Verenigde Staten, iets wat in Nederland niet lukte. Hier bleef 'Venus' - ondanks ook mijn aankoop - steken op nummer 3 in de Top 40.
 
'Venus' was een compositie van gitarist en creatief brein Robbie van Leeuwen (op de foto rechts met giga-sitar), maar popprofessor Leo Blokhuis onthulde ooit dat Van Leeuwen het nummer niet even uit zijn mouw had geschud (zoals Van Leeuwen graag claimde), maar sterk gebaseerd had op 'The Banjo Song' van de Amerikaanse The Big 3.

Helaas gaat het daar niet over vanavond met Van Leeuwen, die met drummer Klaasje van de Wal de enige twee nog levende Shocking Blue-leden zijn. Wel geeft Van Leeuwen een acoustische, jazzy versie van 'Venus' ten gehore, en dat lijkt me toch reden genoeg om te kijken.

Reden genoeg om naar Shocking Blue te kijken was voor mij onbetwist Mariska Veres. Voor een neo-pubertje van 11 jaar was Veres natuurlijk de vleesgeworden Venus, 'a Goddess on a mountain top, ..the summit of beauty and love,' Mariska was her name...

Maar die serie hits van Schoking Blue mocht er natuurlijk ook zijn. En nummer 1 in Amerika, dat was wat. Focus flikte het bijna met 'Hocus Pocus.' The Golden Earring ook bijna, met 'Radar Love.'

Maar Bananarama viel de eer te beurt om 'Venus' in 1988 weer naar de nummer 1-positie in de V.S. te zingen. Twee keer nummer 1 in Amerika. Dat flikte die Van Leeuwen toch maar mooi met zijn 'Venus.' Beter goed gejat, dan slecht verzonnen.

 
 
Ik vind het altijd wel bijzonder om te lezen over de Nederlanders overzee, onze landgenoten die het op de mooiste of de meest bizarre plaatsen ter wereld maken. Zoals Jaap van Zweden, de kleine grote chef-dirigent die furore maakt in de Verenigde Staten, eerst in Dallas, en nu ook in New York.

Hij was een tijdje geleden bij De Wereld Draait Door, maar daar was hij niet op zijn plaats en op zijn gemak, kwam wat nerveus, houterig, en 'out of place' over. Hij liet zich niet verleiden tot een uitspraak of hij ooit chef van 'zijn' Koninklijk Concertgebouworkest wilde worden, maar zijn blik was veelzeggend en ik las "kiss my ass." Ze mogen hem op de knieën komen smeken, denk ik.

Je ziet het wel vaker, de waardering elders is groter dan in het thuisland, en dat bevestigt de vertrekker in zijn gelijk, en die praat dan ook niet zelden over 'het maaiveld' en die 'doe-maar-gewoon' mentaliteit, u (her)kent dat wel. Van Zweden doet dat slimmer. Hij laat zijn baton spreken. En hij vreet heel New York op.

Het Parool had vandaag een mooi sfeerstukje over onze Jaap in New York, en hoe daar uit zijn kostbare handen wordt gegeten. En hoe hij het met zijn kwaliteiten voor elkaar krijgt dat het prestigieuze New York Philharmonic de gastchef een zittende ovatie van 7 minuten geeft. Djeap fun Swieden is hot. Maestro. 

Ik heb Jaap van Zweden ooit een keer ontmoet. Het was in de herfst van 2004, toen ik als gast van het Residentie Orkest meemocht naar Linz en naar het concert dat het orkest gaf in Sankt Florian waar Anton Bruckner in de kapel begraven ligt.

Jaasp van Zweden kwam wat later aan. Een bescheiden, verlegen, wat schichtige man zonder enige poeha, maar dol op vliegtuigen en auto's, vol verhalen over de jet die hem naar Linz bracht, en welke auto op hem wachtte. Een chef vol energie, dol op PK's, het leven een gloedvolle symfonie.

 


Copyright en privacy

Door Vriendschap Sterker